
Fabiola is verhuisd naar een klein, oud huisje in de heuvels, waar ze de komende winter gaat bevriezen, maar waar het nu zo ongeveer het paradijs is. Er vliegen vlinders, er staan bloemen in alle kleuren van de regenboog en wie zich een dag in de struiken verstopt, heeft volgens Fabiola grote kans om Roodkapje voorbij te zien wandelen – met mandje en al.
We zitten in de achtertuin op een kleed op het gras. Terwijl we kersen eten uit een grote teil en pitten spugen, vertel ik Fabiola over de Japanse loodgieter, die ruim drieduizend uur belde naar het antwoordapparaat van een bedrijf, omdat hij verliefd werd op de vrouwenstem op dat bandje; over de Belgische bejaarde die haar man doodde met een hamer en een aardappelschilmes; en over de Braziliaanse jongen die zich onder het motto ‘je kan beter een tand verliezen dan je leven’ zich vastbeet in de nek van de pitbull die hem aanviel.
Als ik klaar ben met vertellen is Fabiola even stil. ‘Weet je?’ zegt ze dan. ‘De mensen zijn eigenaardig.’
‘Ja.’ zeg ik. ‘Ik hou daar van.’
‘Ik ook.’ zegt Fabiola. ‘Veel.’
Zwijgend eten we nog wat kersen. ‘Maar toch hè.’ zegt Fabiola.
‘Wat?’ vraag ik.
‘Er gaat zoveel mis.’
Verbaasd kijk ik Fabiola aan. ‘Dat valt toch wel mee,’ zeg ik.
Fabiola schudt haar hoofd. ‘Nee, dat valt niet mee.’
‘Bedoel je nu?’
‘Nouja,’ zegt Fabiola, ‘misschien nu niet echt, maar soms.’
Ik knik. ‘Ja, soms wel.’
Fabiola kijkt peinzend naar het kleed. Met haar vinger volgt ze een kevertje dat daar overheen loopt. Af en toe geeft ze het voorzichtig een zetje. Plotseling kijkt ze me doordringend aan. ‘Sorry’, zegt ze.
‘Sorry?’
‘Dat ik dat zeg.’
‘Wat?’
‘Dat er zoveel mis gaat en zo.’
‘Daar hoef je toch geen sorry voor te zeggen.’
‘Wel.’ zegt Fabiola fel. ‘Dat moet wel. Want het is dom en stom en raar. En ik weet niet waarom ik dat doe. Dan liggen we hier voor mijn nieuwe huisje…’ Ze stopt even, zucht diep en begint dan plotseling te ratelen: ‘Dan-liggen-we-hier-voor-mijn-nieuwe-huisje-waar-ik-erg-blij-mee-ben-en-dan-vertel -jij-goeie-verhalen-en-schijnt-de-zon-en-hebben-we-kersen-en-dan-is-alles-goed- maar-dan-is-het-ineens-zo-goed-dat-het-té-goed-is-en-dan-denk-ik-altijd-iets-zoals -alles-gaat-mis-en-dat-zeg-ik-dan-ook-en-niet-omdat-ik-dat-meen-maar-wel-omdat- ik-dat-denk-en-dan-zeg-ik-dat-maar-omdat-ik-dan-in-ieder-geval-gezegd-heb-dat- alles-mis-gaat-maar-dan-gaat-natuurlijk-alles-mis-juist-omdat-ik-dat-gezegd-heb- en-dat-wil-ik-dan-niet-maar-dat-gebeurt-dus-altijd.’ Fabiola hapt even naar adem. ‘Snap-je?’
‘Eh…’ zeg ik.
‘Ik wil gewoon dat er niets verandert, dat er niets mis gaat…’ Ze kijkt me aan, haar ogen zijn nat. ‘Dat het niet aan mij ligt.’
Ik haal diep adem, trek haar naar me toe, sla mijn armen om haar heen. Zo zitten we daar een tijdje, tegen elkaar aan, haar hoofd op mijn schouder. Achter de rug van Fabiola landt een spreeuw naast de teil. Hij kijkt me brutaal aan, pikt met zijn snavel een kers op en vliegt er vandoor.
‘Is dat stom?’ mompelt Fabiola dof. ‘Nee. Niet.’ zeg ik. Dan laat ik haar weer los, glimlach en zucht, terwijl ik met een vinger haar haar achter een oor schuif.
‘Zal ik je wat vertellen?’ vraag ik.
Fabiola haalt haar neus op. ‘Doe maar.’
‘Over tien jaar hè. Over tien jaar als al die pitten nieuwe kersenbomen zijn, dan schijnt hier de zon, terwijl wij samen op een trampoline springen, en dan happen we kersen zo uit de lucht, tot we misselijk worden – want zo gaat dat. Dan gaan we liggen op een kleed en vertellen we elkaar verhalen en genieten we ervan, hoe eigenaardig de mensen zijn. En dan, als jij plotseling bang wordt en denkt ‘alles gaat mis’ dan vraag je me: ‘Wil je me vertellen hoe het over tien jaar zal zijn?’ En dan vertel ik je over een kleed en kersen, en hoe we ons misselijk zullen eten en elkaar verhalen zullen vertellen. En weet je, tien jaar is een lange tijd en twintig jaar nog veel langer en in al die tijd zal er veel mis gaan – want zo gaat dat, maar dat is gewoon omdat de dingen zijn zoals ze zijn, omdat dat niet verandert, omdat er eigenlijk niets verandert, ook al zou je dat willen, ook al zou je dat heel hard willen – meer dan wat dan ook, er verandert niets, nooit.
Terwijl ik praatte, is Fabiola op haar rug gaan liggen. Ze staart nu naar de lucht.
‘Eh…’ zeg ik. ‘Helpt dit eigenlijk?’
‘Nee, niet echt.’ Fabiola glimlacht. ‘Maar het is lief dat je het probeert.’
‘Ja.’ zeg ik verward. ‘Dat is ook zo.’
Hoog in de lucht boven onze hoofden trekt een vliegtuig een lange streep die langzaam verwaait in de wind.
Even later doe ik voor hoe eskimo’s dansen, verschijnt er een hert aan de bosrand en verbreekt Fabiola haar kersenpitverspuugrecord.
En op een open plek in het bos, zet een elfenkoor een nieuw liedje in, net te zacht om te verstaan.
7 reacties so far ↓
Impa // 28 juli 2008 bij 6:22 am |
Wat schrijf je mooi! Zo verstild. En beeldend.
Ik ben benieuwd hoe eskimo’s dansen.
aiebdbi // 30 juli 2008 bij 7:58 am |
Weet je Impa, eerlijk gezegd: Ik heb geen idee hoe eskimo’s dansen. Al vermoed ik: dicht tegen elkaar aan (maar dat zal dan wel net weer niet zo zijn).
Misschien moeten we er eentje bellen om het te vragen?
sana // 5 augustus 2008 bij 9:36 am |
Oh, wat fijn dit, zo op de vroege ochtend.
aiebdbi // 6 augustus 2008 bij 12:52 pm |
Bedankt Sana.
Ingeborg // 11 augustus 2008 bij 8:17 pm |
Niet zo hard stampen, dan zakken ze door het ijs. ^_^
Mooi geschreven joh!
Pieter // 22 oktober 2008 bij 6:54 pm |
Er verandert niets.
Maar het is telkens weer mooi.
Het gezond verstand // 25 oktober 2008 bij 4:38 pm |
lekker bezig.